Through the Eyes of the Surinamese
The first sound you hear as morning arrives over Paramaribo is the soft, rhythmic beat of a saamaka drum striking once, mingled with the distant call of a toucan in the jungle and the scent of fresh pom (chicken stew with root vegetables) and bakkeljauw drifting from a nearby home. That drum-sound carries our story back to a time of rivers and jungle, when we lived as the peoples of Suriname: the indigenous Caribs and Arawaks, the Maroons (descendants of escaped enslaved Africans), the Hindustanis, Javanese, Chinese, Creoles, and Lebanese who together shaped the land. Our ancestors built villages along the Suriname River, fished with nets in the wide streams, grew rice and cassava in the fertile coastal plain. The Maroons knew their saamaka freedom and their knowledge of the forest, the Hindustanis their Hindu temples and labor on plantations, the Javanese their gamelan and saoto soup. Every family knew the feasts of Keti Koti where freedom was celebrated, the tales of enslaved people who escaped, the bond stronger than origin. That was our golden time: a land of jungle, rivers, and coast, where people lived in harmony with nature as mother and diversity as father, connected by rhythm, food, and tolerance.
But then came the wave from outside, like a storm rising from the Atlantic Ocean. The Dutch colonized us in the 17th century, made us a plantation colony of sugar and coffee, shipped enslaved people from Africa and contract laborers from India and Java. Every family knew the loss: an ancestor who arrived in chains, a child who learned freedom was forbidden, a culture that blended to survive. Independence in 1975 brought Johan Ferrier – hope that grew – but also the military coup of 1980 under Desi Bouterse, the December Murders of 1982 where 15 opponents were executed, the civil war in the interior with the Jungle Commando. Every family knew the fear, the disappearances, the emptiness in the streets of Paramaribo.
From that depth rises a pride that is warm and colorful. The saamaka drum that still beats in the villages, the pom prepared with love, the kaseko music that fills the night with rhythm. Our people laughing through hardship, our youth rising for a better land, our bond stronger than history. We have found our voice again: democracy growing, hope burning along the river.
Yet the truth colors magenta like a sunset over the Suriname River. The scars remain: memory of slavery and the December Murders, poverty in the interior, emigration of youth to the Netherlands, pressure of a fast-changing world. The outside world buys our gold and our tourism, but often does not feel the depth of a people who never broke.
Still, we remember in silence: around the drum where music is made, during Independence Day on 25 November when we raise our flag, in the villages where the spirits still speak – never forgetting who we were. We tell our children of the Maroons and of Ferrier, of the river and the jungle, so they know: we were connected and strong before we were challenged.
And yet… the drum continues, deep and low, like a heartbeat that never falls silent. That is our secret: we have suffered under colonization, slavery, and unrest, but first we were a land of rivers and rhythm. For our children we build no walls, but a village square where everyone may dance. How do we let that drum-sound bring hope to everyone again? How does Suriname remain a home of unity and flavor?
January 2026
Manna Ori
Door de ogen van de Surinamer
Het eerste wat je hoort als de ochtend over Paramaribo komt is het zachte, ritmische geluid van een saamaka-trom die één keer slaat, vermengd met het verre geroep van een toekan in de jungle en de geur van verse pom en bakkeljauw die uit een naburig huis drijft. Dat tromgeluid draagt ons verhaal terug naar een tijd van rivieren en jungle, toen wij leefden als de volkeren van Suriname: de inheemse Cariben en Arawakken, de Marrons (afstammelingen van weggelopen slaven), de Hindostanen, Javanen, Chinezen, Creolen en Libanezen die samen het land vormden. Onze voorouders bouwden dorpen langs de Suriname-rivier, visten met netten in de brede stromen, verbouwden rijst en cassave in de vruchtbare kustvlakte. De Marrons kenden hun saamaka-vrijheid en hun kennis van het bos, de Hindostanen hun Hindoe-tempels en hun arbeid op de plantages, de Javanen hun gamelan en hun saoto-soep. Elke familie kende de feesten van Keti Koti waar vrijheid werd gevierd, de verhalen van de slaven die ontsnapten, de verbondenheid die sterker was dan afkomst. Dat was onze gouden tijd: een land van jungle, rivieren en kust, waar mensen leefden in harmonie met de natuur als moeder en de diversiteit als vader, verbonden door ritme, eten en tolerantie.
Maar toen kwam de golf van buitenaf, als een storm die uit de Atlantische Oceaan opsteeg. De Nederlanders koloniseerden ons in de 17e eeuw, maakten ons een plantagekolonie van suiker en koffie, verscheepten slaven uit Afrika en contractarbeiders uit India en Java. Elke familie kende het verlies: een voorouder die in ketens kwam, een kind dat leerde dat vrijheid verboden was, een cultuur die zich vermengde om te blijven bestaan. De onafhankelijkheid in 1975 bracht Johan Ferrier – hoop die groeide – maar ook de militaire coup van 1980 onder Desi Bouterse, de Decembermoorden van 1982 waar 15 tegenstanders werden geëxecuteerd, de burgeroorlog in het binnenland met de Jungle Commando. Elke familie kende de angst, de verdwijningen, de leegte in de straten van Paramaribo.
Uit die diepte komt een trots die warm en veelkleurig is. De saamaka-trom die nog steeds slaat in de dorpen, de pom die met liefde wordt bereid, de kaseko-muziek die de nacht vult met ritme. Onze mensen die lachen door moeilijkheden heen, onze jongeren die opstaan voor een beter land, onze verbondenheid die sterker is dan geschiedenis. We hebben onze stem teruggevonden: de democratie die groeit, de hoop die brandt langs de rivier.
Maar de waarheid kleurt magenta als een zonsondergang over de Suriname-rivier. De littekens blijven: de herinnering aan de slavernij en de Decembermoorden, de armoede in het binnenland, de emigratie van jongeren naar Nederland, de druk van een snel veranderende wereld. De buitenwereld koopt onze goud en onze toerisme, maar voelt vaak niet de diepte van een volk dat nooit brak.
Toch herdenken we in stilte: rond de trom waar muziek wordt gemaakt, tijdens Independence Day op 25 november als we onze vlag hijsen, in de dorpen waar de geesten nog spreken – nooit vergeten wie we waren. We vertellen onze kinderen van de Marrons en van Ferrier, van de rivier en de jungle, zodat ze weten: we waren verbonden en sterk voordat we werden uitgedaagd.
En toch… blijft de trom doorgaan, diep en laag, als een hartslag die nooit zwijgt. Dat is ons geheim: wij hebben geleden onder kolonisatie, slavernij en onrust, maar we waren eerst een land van rivieren en ritme. Voor onze kinderen bouwen we geen muren, maar een dorpsplein waar iedereen mag dansen. Hoe laten we dat tromgeluid weer hoop brengen voor iedereen, hoe blijft Suriname een thuis van eenheid en smaak?
Januari 2026
Manna Ori